Protestants-Evangelische
Kerk Boechout
🛒WINKELMANDJE
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

EEN DING WEET IK

Broeders en Zusters,

Het is geen onbelangrijk thema dat hier aan de orde is;  misschien is het wel het belangrijkste van alle thema’s. Het gaat hier namelijk over licht en donker. En het licht was, zoals u weet, het eerste van Gods scheppingswerken. Met het licht staat of valt alles. Want als er geen licht is, worden Gods werken niet gezien. Daarover heeft Jezus het ook in dit gedeelte. Als hem gevraagd wordt: wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is? – dan antwoordt Jezus: hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is “opdat Gods werken in hem openbaar zouden worden”. God schept licht uit de duisternis; dat is eenmaal  gebeurd in den beginne, en het zal ook nu weer gebeuren. En voor alle zekerheid herinnert Jezus zijn leerlingen nog maar eens aan wat Hij al eerder gezegd had: “Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.” De grote werken van God aanschouwen betekent: Jezus Christus aanschouwen. En nu we op weg zijn naar Goede Vrijdag en Pasen zeg ik er meteen maar bij: het betekent de gekruisigde Jezus aanschouwen.

Trouwens, het begrip “zien” staat dicht bij het begrip “weten”.  In de Bijbel wordt blindheid vaak gebruikt als beeld voor onwetendheid. Meer nog dan van “zien” en “niet zien” is in dit gedeelte sprake van “weten” en “niet weten”. Het lijkt of de nadruk langzamerhand verschuift. Eerst, bij de genezing van de blindgeborene, gaat het om zien of niet zien in de letterlijke zin, maar in het vervolg gaat het steeds meer over weten of niet weten. Uiteindelijk is dat belangrijker. Blind zijn is erg, maar ziende blind zijn is erger. Geen oog hebben voor Gods werken, dat is pas erg -  en helemaal erg is het als je ze niet wílt zien.

Het is dan ook niet zo gek dat Jezus’ leerlingen, als ze deze man zien, meteen aan zonde denken. Blindheid, dat je het licht, Gods licht niet kunt zien, dat moet toch iets met zonde te maken hebben, denken ze. Maar ja, dan is er wel een probleem. Deze man is namelijk blind geboren, en je kunt je toch moeilijk voorstellen dat hij al vóór zijn geboorte een zonde zou hebben begaan. Komt het dan misschien door de zonde van zijn ouders, of van zijn voorouders, van Adam en Eva misschien? Jezus zegt daar radicaal nee op, terwijl de Farizeeën het wel weten. Ze zullen het de blindgeborene voor de voeten werpen: “Gij zijt geheel en al in zonde geboren, en wilt gij ons leren?” Zij weten het, zij  weten een heleboel – een verschijnsel dat je overigens tot op de huidige dag tegenkomt. Mensen die weten dat het coronavirus een straf van God is. Sommigen leren het nooit. Nee, zegt Jezus, deze blindheid is “opdat de werken van God openbaar zouden worden”: het enig positieve wat over de duisternis in deze wereld gezegd kan worden, is dat God uit de duisternis licht kan scheppen.

Het licht – welk licht? Jezus zegt het er voor alle duidelijkheid meteen bij: zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld. Eerder heeft Hij  gezegd, wie in Mij gelooft zal nooit meer in duisternis wandelen - zelfs niet als het soms heel duister lijkt om je heen. De grote vraag, waar het uiteindelijk gaat, is of we het licht zien, ja of nee. En zoals we helemaal aan het einde van dit hoofdstuk te horen krijgen: dat betekent dat maar al te vaak de rollen zullen worden omgekeerd: blinden worden ziende, terwijl zienden stekeblind blijken te zijn. Daar zit een waarschuwing in voor allen die menen te zien, die menen te weten. En het gaat hier zeker niet simpelweg om de tegenstelling gelovig-ongelovig, kerkelijk-buitenkerkelijk zoals wij die doorgaans maken. In dit verhaal zijn het juist de zeer kerkelijke Farizeeën die het meest verblind van allen blijken te zijn.

Het begin van het verhaal is gauw verteld. De man doet wat Jezus gezegd heeft, hij wast zich in het bad Siloam - “en hij kwam terug – ziende.”

Maar eigenlijk begint het verhaal dan pas goed. Nu de blindgeborene ziende is, komt de omgeving in actie, en wel zo dat we ons telkens weer zullen moeten afvragen: wie is hier nu eigenlijk blind?

Om te beginnen:  “zijn buren en die hem voorheen gezien hadden”. Hadden ze hem werkelijk gezien? In elk geval kunnen we een onzekerheid bij hen bespeuren: is hij het nu of is hij het niet? Maar ook de blindgeborene zelf is toch nog niet helemaal een ziende, een wetende, geworden. Hij is namelijk de eerste die de woorden uitspreekt die we in dit verhaal nog een aantal malen zullen horen, namelijk: “Ik weet het niet.” Waar is Hij die je beter heeft gemaakt? Waar is het Licht der wereld? Ik weet het niet, zegt hij. En zolang we dat niet weten zijn we nog niet helemaal echt ziende.

Dan komen de Farizeeën. Die zitten met de vraag “vanwaar is Hij?” – waar komt Hij vandaan, die Jezus? Is Hij uit God? Sommigen denken van niet, anderen toch ook weer van wel – niet alle Farizeeën waren tegen Jezus, denk maar aan iemand als Nicodemus – en er was verdeeldheid onder hen.

En dan zijn ouders. Wat weten die, en wat weten ze niet? “Wij weten”, zeggen ze, “wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is – maar hoe hij nu ziet weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft weten wij niet.” Weten ze het echt niet? Jawel, zegt Johannes, ze weten het wel, maar zij handelen uit angst. Angst om geëxcommuniceerd, uit de synagoge gebannen te worden. En ja, dat is inderdaad een groot verdriet, als je niet meer in de kerk mag komen, al zijn er sommigen die uit zichzelf wegblijven. Hoe dan ook, tegenover iemand die je zoon van zijn blindheid heeft verlost zou je toch iets meer dankbaarheid verwachten dan deze ouders vertonen. De angst heeft hen verblind, zodat ze het Licht der wereld niet zien, ook al worden ze er zelf door bestraald. Dus toch onwetendheid; veel onwetendheid rondom Jezus, hoe fel zijn licht ook schijnt.

En  dan zijn daar de Farizeeën. De mensen die het weten, die het kúnnen weten. Wij weten, roepen ze uit, wij wéten dat deze mens een zondaar is! O ja, hoe weten ze dat? Kunnen zij in het hart van een mens kijken? Nee, zeggen ze, maar wij kennen onze Bijbel. “Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft.” Nu, daarin hebben ze geen ongelijk, God heeft inderdaad tot Mozes gesproken. En toch kun je blijkbaar ook blind zijn met de Bijbel in de hand. Het is maar net hoe je met die Bijbel omgaat. Daarom: het gaat niet simpelweg om gelovig versus ongelovig, kerkelijk versus buitenkerkelijk. Je kunt de Bijbel op je duimpje kennen – dat deden de Farizeeën – en toch aan God voorbij leven. Het blijft tot de grootste raadsels behoren dat toen Jezus, de Zoon van God, op aarde kwam, juist de allervroomsten, zij die het allemaal zo goed wisten, de Farizeeën, Hem niet als het licht der wereld herkenden; misschien kwam dat wel juist omdat ze het zo goed wisten. En als u zich afvraagt: hoe hadden ze Hem dan moeten herkennen? Dat staat in het begin van het evangelie naar Johannes beschreven: het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, heerlijkheid als van een eerstgeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. Genade en waarheid, dat is waaraan je Hem herkennen kon.

Zo is het ook in dit verhaal. Aan zijn genade kun je Hem herkennen: het simpele feit dat Hij die blinde man beter heeft gemaakt. De Farizeeën, met al hun kennis, zien het niet, willen het niet zien, wat de blindgeborene in al zijn eenvoud uitspreekt:

Hierin is toch iets wonderlijks
dat gij niet weet vanwaar Hij is
en Hij heeft mij de ogen geopend.
Wij weten dat God naar zondaars niet hoort,
maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet,
naar die hoort Hij.
In eeuwigheid is het niet gehoord
dat iemand de ogen opende van één die blind geboren was.

De spijker op de kop, zou je zeggen, en  je hoeft er niet hard voor gestudeerd te hebben om het te begrijpen. Jezus’ daden spreken voor zich. Hij die de ogen van de blinde opende, Hij is het licht dat schijnt in de duisternis van deze wereld.

In het laatste deel van het verhaal laten we het gekrakeel achter ons. Er zijn nog slechts twee personen op het toneel: Jezus en de blindgeborene. De blindgeborene is nu echt tot het inzicht gekomen, Hij belijdt zijn geloof in Jezus en aanbidt Hem. En dan spreekt Jezus een woord dat het hele verhaal samenvat:

Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen,
opdat die niet zien ziende,
en zij die zien blind worden.

Hoe zit het met ons? Het komt erop aan dat je dit de blindgeborene kunt nazeggen: ik weet niet veel, maar één ding weet ik: dat ik die blind was nu zie, en dat Ik dat te danken heb aan Hem, die aan  het kruis mijn duisternis doorstond, en wiens licht op de Paasmorgen voorgoed ook voor mij is opgegaan.

Amen.

Reacties   

# Verhoeven Ronny 23-03-2020 11:45
Goed om in deze moeilijke tijden met elkaar verbonden te zijn
ronny en Bea

Je hebt onvoldoende rechten om een commentaar te posten.