Preek zondag 4 januari 2009

De twaalf kleine profeten!

Dat wil zeggen: twaalf kleine boekjes, geschreven door twaalf profeten; het keurkorps van de Heer…

Ze staan in uw Bijbel met opgeheven vinger! Alle twaalf?

Nou nee, er is er eentje, die de benen neemt! Gewoon, omdat hij het niet neemt dat God genadig is. Merkwaardig! Het boekje “Jona” is dan ook geen profetie in strikte zin, maar een verhaal, dat profetie wordt! Jona, dat betekent “duif”. Hij is de postduif van de Heer en bovendienvredesduif. Zoals de duif, die terugkwam naar de ark van Noach, met een olijfblad in de snavel. Het teken dat de grote vloed aan het afnemen was. En zo: teken van nieuw leven op aarde….

Onze duif vliegt ook weg over de grote vloed, maar…. gaat juist de andere kant op; weg van voor het aangezicht van de Heer. Jona wil naar Tarsis in Spanje, het uiteinde van de toenmalig bekende wereld, onbereikbaar voor zijn God! Dacht ‘ie!
Jona is het verhaal van de gelovige, die niets voelt voor de verkondiging van een genadige en barmhartige God, voor gelovigen èn ongelovigen.
En denk nu niet dat wij dat anders zien! Vindt u het rechtvaardig dat buitenkerkelijken ook zalig worden? Dat ongelovigen er ook bij horen?
Kom nou!
Dus: toch maar “Jona” lezen! [Lees ook de vertaling die vooraf voorgelezen is.]
“Toen geschiedde het woord van de Heer tot Jona, de zoon van Amittai …..”
Plechtstatig opent ons boekje met God, die het woord neemt. En hoe! God roept Jona, … u, mij: “Sta op!”
God brengt iets op gang. “Ga naar Ninevé, , die grote stad….”
Ninevé was het centrum van de macht; zoals nu Washington, Brussel of Peking…..
Daar moet de vredesduif wezen!
Maar Jona hoort eerder tot het type dat geneigd is te bidden: “Here God, sla onze vijanden néér!”
Herkennen wij dat? Gewend als we zijn onze zaak tot Gods zaak te verklaren.
God moge de goddelozen straffen, hier of anders in het hiernamaals! En zeker de onrechtvaardigen in Ninevé, Bagdad, Kabul, Peking, Moskou ….Jeruzalem, Gaza?
En overal, waar mensen heil zien in geweld, terrorisme. En als het kan ook: criminelen, moordenaars….. Noem maar op!
Moeten wij hen soms gaan zeggen wat hun tot vrede dient?

Broeders en zusters, Luther noemde ons verhaal al één van de hoogtepunten van de Bijbelse verkondiging. Want waarom heeft Israël, hebben wij, anders ons geloof gekregen? Toch niet om zelf zalig te worden, zonder Gods eigen wereld? En Jona mag als een postduif uitvliegen om te melden dat er redding is en dat het niet hoeft te gaan, zoals in de dagen van Noach en de grote vloed; de dagen van oudsher!

Dat is profetie! Profeten zijn geen helderzienden, ook al zien ze scherp. Het zijn geen toekomstvoorspellers; al is de toekomst voor hen voorspelbaar. Geen “profeet” voorziet het Jaar onzes Heren 2009. Zij hebben het niet over het “onafwendbaar lot”, maar roepen op het schijnbaar onafwendbare te keren. Profetie is geen prognose, maar een programma. Niet “zo en zo zal het gaan”, maar “zo moet je gaan en zo dus niet!” Niet of hun profetie uitkomt is van belang, maar of er wat uitkomt; of mensen er wat mee doen!
De profetie is een Godswoord, namelijk dat het anders kan.
En dat is nu juist het laatste wat Jona wil!
Daarom staat hij op, …. om af te gaan!

Hij slaat een andere richting in. Sterker nog: hij doet wat geen Israëliet doet en waar altijd narigheid van komt. Hij kiest het ruime sop. Eigenlijk: hij kiest voor chaos en …. dood. Onverdraagzaam als hij is, wenst hij dat trouwens ook de Ninevieten toe. Deze vrome profeet is …. een diep ongelovig mens! Want hij gelooft niet in ommekeer. Hij verwijt God dat juist! Aan het einde zegt hij dan ook: “Ik wist wel dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid!”
Kortom: zo goed! Voor Jona: …. zo gek!
Het verhaal is geen opsteker! Al kun je er wèl veel van opsteken. Want is dat niet onze grootste ontrouw? Dat wij denken: “laat de wereld maar vergaan, als ik maar behouden word.”
Terwijl God notabene tegen die weerspannige Jona zegt: “Ik ben juist zo met jou bezig omdat Ik allen wil redden!”
Er moet een einde komen aan het kwaad dat opstijgt uit Ninevé! En wat is profetie anders dan aankondigen dat een “tenzij” mogelijk is!
Dat is de opdracht! Van Jona, …. en van allen, die zijn verhaal horen. Wij dus, vandaag!
U hoeft geen zedenmeester te zijn. Dat zou een behoorlijke zelfoverschatting wezen!
U moet/mag “ho!” roepen. Mensen, het toelaatbare is bijna bereikt! Ga niet verder! Pas toch op!
En dat niet uit zelfgenoegzaamheid of betweterij, maar om samen een andere koers te varen, opdat ieder tot zijn/haar recht komt; behouden blijft. In onze tijd bovendien: opdat de aarde behouden blijft.

Jona’s koers is enkel de eigen-koers-varen! Het eerste wonder in het verhaal; het wonderlijke is nu dat God het daar niet bij laat zitten. Letterlijk: “”De Heer gooide een grote wind naar de zee!” Die wind, ruach, is het zelfde woord als geest. God gooit Zijn eigen Heilige Geest er tegen aan. God? God heeft veel voor zijn schepselen over!
De zeelui, heidenen, zetten alles op alles om het schip èn hun hachje te redden. Die bidden wat af! En onze duif? Die slaapt!

Blijkbaar kunnen gelovigen rustig slapen als de winden waaien en hele werelden vergaan. God mag aan je trekken en duwen wat Hij wil. Wij zijn er gerust in: God zal ons redden! Wij geloven in Jezus! Jehoshua: Hij, die redt! Ons redt!

Het is pijnlijk om te ontdekken dat de matrozen, de schipper en later de Ninevieten alles op alles zetten om die ondergang te voorkomen.
Zelfs het lot wordt ingezet. “En het lot viel op Jona”
En dan, eindelijk, voor de eerste keer, spreekt Jona. En hoe!
Het is een regelrechte belijdenis, maar …. ! Hij belijdt zijn God als Schepper, maar, bidden, zoals hem gevraagd is, doet hij niet!
Wat zou hij ook? Aankloppen bij die genadige God? Hij wijst dat nu juist af!
Jona komt pas aan bidden toe in de vis, symbool van de dood. Ach ja, nood leert bidden! Eerlijk is ‘ie wel! “Neem me op en gooi me in de zee.”
Weet u nog? Jona wilde Ninevé niet redden. Die heidense zeelui hèm wel!
Maar als niets wil baten, dan maar: één, twee, drie … in Godsnaam!

En zo wordt de zendeling, een drenkeling. O ironie, de zondvloed, die Jona de wereld en in het bijzonder Ninevé had toebedacht, treft nu hemzelf. En de scheepslui? Voor de tweede maal staat er dat zij God vreesden met grote vrees.
Je zou kunnen zeggen dat zij op de drempel van het geloof staan, maar helaas: de vrome heeft geslapen. Hij heeft hen niet de weg gewezen. Zij hebben van hem enkel maar last gehad! Laat die God van Jona hem nu maar genadig zijn; amen en uit!
Voor God is het niet “amen en uit”.
“De Heer beschikte een grote vis…..”
Onze dwarse profeet wordt uit het water gevist. Waarom? ….
Om toch Gods postduif te zijn!
Na drie dagen en drie nachten…..
Dat “ten derde dage” is, zoals u weet, een vingerwijzing: “van-dood-naar-leven”. Want de dood lust deze vredesduif niet! Hij kotst hem uit … “op het droge”; op Gods goede aarde!
En de Heer?
“Ten tweede male geschiedde het woord van de Heer: sta op!”
De Heer blijft er in geloven! Dat maakt dit boekje zo hoopvol!
Zelfs in die van Ninevé, ondanks al hun kwaad. Dat wordt ook nergens ontkent. Maar ons wordt gewezen op de laksheid en weerspannigheid van gelovigen!
Op een humoristische wijze. Zo houdt het ons een spiegel voor, eigenlijk: een lachspiegel!
Je kunt van de totaal overbodige Jona nog veel leren! Hij is, met andere woorden: broodnodig! Gelukkig begint de Heer opnieuw met hem, …. en ons.
De Heer begint telkens opnieuw!
Ook in dit nieuwe jaar! Amen.