Preek zondag 23 november 2008

  • Gen. 45 : 1 – 7.
  • Rom. 3 : 21 – 27
  • Matth. 6 : 7 – 15

“Toen zijn broers vertrokken en Jozef hun uitgeleide deed, verzekerde hij hun dat ze onderweg nergens bang voor hoefden zijn.”

Met dit vers (Gen. 45 : 24) eindigt de confrontatie.

In oudere vertalingen staat het net even anders. Daar zegt Jozef dat de broers onderweg niet “verstoord mogen zijn” of “twisten”; dat wil zeggen: ruzie maken.

Zo staat het trouwens ook in de Hebreeuwse tekst.

Maakt dat iets uit?

Jazeker!

Want waar gaat het nu eigenlijk om in deze schitterend vertelde ontknoping?

Jozef heeft, in een nogal lange redevoering, zich bekend gemaakt. Dat was voor zijn broers wèl even schrikken! “Zij waren verlamd van schrik”, staat er. Je zou voor minder: die grote Egyptische mijnheer blijkt hun doodgewaande broer te zijn! Jozef tracht hen vervolgens gerust te stellen met de uitspraak: “…. want God heeft mij voor jullie uitgestuurd om jullie leven te redden.” (45 : 5)

Niet dat Jozef nu bedoelt dat het kwaad, hem aangedaan, Gods bedoeling was. Indien dat zo zou zijn, treft de broers immers geen enkele schuld. En maakt hen, bovendien, ook niet verantwoordelijk voor hun daden! Bijbels gesproken hebt u, indien u zo denkt, geen been om op te staan. U hebt n.l. God tot auteur gemaakt van het kwade dat mensen overkomen kan.

Die gedachte is overigens wèl verleidelijk! Immers, indien God verantwoordelijk zou zijn voor het kwaad in deze wereld en in het menselijk leven, wordt de mèns, u of ik, van dader,  slachtoffer. Zo van: wat wij ook doen of niet doen, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk!

Dat klinkt vroom, maar degradeert God tot: …. lot; zelfs noodlot!

Het is verkapte kritiek op God en laat zien, hoe wij een woord als “gerechtigheid” verstaan.

Onze redenering is als volgt:

“Wat ons overkomt is onrechtvaardig!” Eigenlijk bedoelen we: “wij weten wat rechtvaardigheid is” En God? Die is dus niet rechtvaardig!

Onze klacht beneemt ons ook nog eens het uitzicht op Gods liefde en Zijn genade.

Wij? Wij zijn slachtoffer van een situatie en van een onrechtvaardige God!

 

Martin Niemöller heeft in dit verband eens opgemerkt dat Gods liefde en genade te vergelijken is met een brug, die God naar ons mensen toe heeft gebouwd. “De brug tussen God en mij stort in wanneer ik mij verzet. Wanneer ik God voor Zijn doen en laten rekenschap vraag en mijzelf zo tot zijn rechter maak. Het kan ook zijn dat deze brug door niemand wordt gebruikt en daarom nutteloos is. Namelijk wanneer ik opgeef, wanneer ik in Gods zwijgen of Zijn spreken enkel een onverschillig “nee” hoor, waardoor ik mij van Hem afwend.”

 

Zo’n redenering maakt iemand of defaitistisch, of ongelovig. Hoezeer er ook situaties denkbaar zijn, waarbij de verleiding groot is zo te redeneren. De gelovige is geroepen antwoord te geven op Gods roepstem en op weg te gaan in vertrouwen. In vertrouwen dat de uiteindelijke uitkomst geen teloorgang, geen ondergang is, maar …. voleinding, de vreugdevolle werkelijkheid van God, alles in allen.

 

“Maak geen ruzie!”

Jozef bedoelt met zijn advies tot zijn vertrekkende broers: Ga nu onderweg, alsjeblief, niet kibbelen, wie voor wat verantwoordelijk is. Laat het verleden staan! God kan gebruik maken van het kwade dat mensen doen. Maar dat is dan enkel om Zijn doel te bereiken. Dat doel is vergeven, genade schenken. God kan ons kwaad en onze schuld ten goede keren.

En soms maken schuld en schaamte mensen zelfs wijs!

Van je fouten leer je het meest, is een veel gehoorde volkswijsheid. ….

Maar, zult u tegenwerpen, is dat allemaal niet te positief gedacht? Het kwaad kan ook vreselijke, onherstelbare gevolgen hebben. Dat weten we maar al te goed! Er zijn van die situaties, dat u en ik menen: daar is toch geen vergeving voor mogelijk?

De Bijbel houdt echter vol: tegenover alle menselijke dwaasheid en schuld blijft Gods vergeving wel staande. Ook al kunnen wij mensen ons dat niet indenken.

Dat is nu juist het bevrijdende van het Bijbels getuigenis.

 

God, jullie hemelse Vader, schenkt vergeving, horen we Jezus zeggen in het Mattheüsevangelie. Bidt erom: “en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven….”.

Een slimmerik zal zeggen: Ik heb die broers dat niet horen bidden …..!

Misschien niet zoals wij dat opvatten. Maar Juda, notabene Juda, heeft, nadat in Benjamins zak de zilveren beker is teruggevonden, deze woorden tot Jozef gezegd: “God heeft de misdaad van uw dienaren aan het licht gebracht!”

Het ironische van het verhaal is nu juist dat de “misdaad”, waarvoor zij gevankelijk naar Egypte worden teruggevoerd, - het stelen van de beker -, door hen dit keer niet is gedaan. Juda heeft blijkbaar als eerste begrepen, dat hun “misdaad” een andere is, namelijk: het verkopen van hun broer Jozef destijds als slaaf en hun leugen tegen hun oude vader. Hij legt een verband tussen de situatie nu en hun schuldig gedrag toen. Ook al is dat “toen”, zo’n twintig jaar geleden. Uitgerekend die ruwe Juda, bedenker van nogal wat wreedheden aldus de verhalen in Genesis, spreekt uit dat de broers schuldig zijn …. voor God. En dit belijden is: …. voldoende! Het is geen gebed, zoals wij dat doorgaans opvatten, maar wordt door Jozef – door God?wel als dusdanig beschouwd. Juda aanvaart dan ook iedere straf, die hem zal worden opgelegd. Maar Benjamin moet kunnen terugkeren! Hij staat immers borg voor hem? Trouwens: aan de gebeurtenissen van toen, in Dothan, had Benjamin part noch deel.

 

Tussen haakjes: wanneer later vader Jacob sterft, ontvangt uitgerekend deze Juda de zegen van de eerstgeborene. Iets wat hij zeker niet was! Uit hem zal het Koningsgeslacht voortkomen. En dus ook: de Messias! En waarom Juda zo naar voren wordt geschoven? Is dat niet vanwege zijn houding hier? Zijn besef schuldig te zijn? Zijn wens om “borg te staan” voor de jongste, de kwetsbare, voor Benjamin?

 

De vraag is nu: geldt deze visie ook voor de anderen? Voelen de broers zich allemaal, collectief schuldig? En zijn ze bereid elkaar vergeving te schenken?

Vandaar die woorden: “Maak geen ruzie onderweg!”

Doorgaans proberen mensen juist onder de schuld weg te komen! Als je gaat beseffen schuldig te zijn en voor God ook schuldig te staan, hebben we juist de neiging om “de hete aardappel door te schuiven”!

“Ja maar, ik heb het ook niet zo bedoeld!”, roepen wij als onze daden helemaal verkeerd uitdraaien. Of: “dat heb ik zo niet gewild!”

Nee, maar toch hebben uw en mijn daden soms catastrofale gevolgen.

“Ja, hoor eens even: het waren wèl de ànderen, die begonnen”, is ook een veel gehoord verweer. “Ik dus niet!” “Ik ben niet schuldig, of schuldig!”

 

Ziet u nu hoe verleidelijk het dan is om het kwaad God in de schoenen te schuiven. Dan zijn u en ik er mooi van af!

En zoals gezegd: op het eerste gezicht lijkt in ons verhaal dat ook Jozef daar vanuit gaat. Maar Jozef is door scha en schande van een ambetant kereltje uitgegroeid tot een wijs man. Hij heeft ontdekt dat God zèlfs in Egypte nabij is en het kwaad, hem aangedaan, kan doen verkeren in het goede voor hem en zijn verwanten. Dit proces van inzicht is uiterst traag gegaan. Van zijn eigen, hoogst egocentrische, dromen in Kanaän; waar God er – gelukkig – niet aan te pas kwam, tot zijn droomuitleg aan farao, waarbij Jozef erkent dat de uitleg van God gegeven is ….., om tot heil te zijn voor mensen. Het kwaad wordt startpunt van het goede. Het kwaad hem aangedaan, heeft Jozef ook niet in de rol van slachtoffer gedrukt. Hij blijft, in Egypte, de handelende persoon. Hij blijft, aldus ons verhaal, ook verantwoordelijkheid dragen over hetgeen hij doet of nalaat. Ook dit wil de Jozefgeschiedenis u en mij leren.

 

Zal deze visie het gaan halen op alle klein menselijkheid? Op onze onverbeterlijke neiging om de schuldvraag van ons af te schuiven? Zullen de broers onderweg dat ook doen? Zal de ene broer tegen de ander zeggen: “Het was toch jouw/jullie idee destijds? Gaan jullie het nu maar uitleggen! Ik? Ik stond erbij en ik keek ernaar!”

“Ik? Ik ben niet zo schuldig!”
 
Zijn er eigenlijk gradaties in “schuld”?

Wij maken wel degelijk onderscheid! Mijn pekelzonden zijn niets in vergelijking met de misdaden van de eerste de beste crimineel!

De vraag is natuurlijk: doet God dat ook, onderscheid maken?

 

Gemeente, het vervelende is nu dat in de Bijbel er niet zoiets bestaat als een klein beetje schuld, iets méér schuld of een grote schuld.

Voor God zijn wij allen ….. schuldig!

Wij hebben allen vergeving nodig!

Wij kunnen onderweg, op onze levensweg, grondig van mening verschillen over de schuldvraag en er zelfs ruzie over maken. We kunnen minachting voelen voor diegenen, die naar ons besef in de verste verte geen recht hebben op Gods barmhartigheid.

Dit alles doet echter niets af van het simpele feit dat van God uit gezien allen, zonder enig verschil: schuldig zijn!. Dat er dus voor God géén gradaties zijn!

Noch in schuld, noch in vergeving! U kunt toch niet een klein beetje, iets meer, of véél vergeving krijgen?

 

Op dit punt aangeland, gaat het bij velen mis! Wij hebben geen moeite met een vergevende God. Nee, voor …. onze zonden. Pardonner, c’est son métier! Maar een God, die een moordenaar vergeeft…..!

Toch wel! Weet u nog, de moordenaar aan het kruis?

Gemeente, het Evangelie is niet naar de mens.

Dat klinkt als een boutade. Maar het is wellicht de kern van het probleem van velen met God en godsdienst.

Wilt u echt en van harte deze God, die u en mij, maar ook …… die mens, die u veracht vanwege hetgeen zij/hij heeft gedaan, vergeven?

“Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven, wie ons iets schuldig was.”

Kunnen wij dat?

Willen wij dat?
Onze God haat dan wel de zonde, maar niet de zondaar!

Iedereen heeft gezondigd… en iedereen wordt uit genade als een rechtvaardige aangenomen door Christus” (Rom.3 : 23).

 

En zo ontwijken wij keer op keer ons onderwerp. Wij willen liever niet al te diep nadenken over zonde en schuld. Ook daarin zijn wij ….. schuldig!

“Maak geen twist onderweg”..

Jozef ziet al voor zich wat wij, hoop ik, ook zien. Het geharrewar, de verwijten, het doorschuiven van de verantwoordelijkheid over verleden en heden, het geruzie, de neiging jezelf vrij te pleiten, het leugentje om bestwil. En de wrevel dat diegene, die meer schuld draagt, er zo, naar ons besef, gemakkelijk van afkomt.

Hoe herkenbaar!
 

Jozef heeft in zijn wijsheid een diep wantrouwen ten opzichte van de menselijke natuur. Hij kent de broers, de mens! God kent hen, ons, ook!!

We moeten met het gekibbel en al die leugentjes èn leugens leren leven. Of liever: we moeten het uit zien te houden om, ondanks al die leugenachtigheid, ook bij onszelf, te ontdekken dat, wonder boven wonder, God het met ons uithoudt.

Dat zal ons voorzichtig maken in ons oordeel over de medemens. Het voorkomt in ieder geval onze menselijke neiging de naaste direct te veroordelen. Want bedenk wel:

Wat zouden u en ik moeten beginnen zonder dit Evangelie van vergeving?

Amen.