Op weg naar Pasen aan de hand van Nehemia
Laatst aangepast op zondag, 24 februari 2008 20:24 Geschreven door ds.G.Schouten zondag, 24 februari 2008 20:18
Zoals u eerder hebt kunnen lezen, zal dit jaar het (onbekende) Bijbelboek Nehemia centraal staan in de Veertigdagentijd. Daardoor hebben onregelmatige kerkgangers gedurende deze periode wel een probleem met het “in stappen”. Vandaar dat in onderstaand artikel u wat op weg wordt geholpen waar het over gaat in dit Bijbelboek en in de kerkdienst.Plaats van het boek Nehemia binnen het O.T.
Door het Jodendom wordt het Oude Testament (Tenach) in drie delen onderscheiden. Het belangrijkste deel en centrum is de Thora (de eerste vijf boeken van de Bijbel). In deze boeken spreekt God tot het volk. Om dit centrum heen staan de profetische werken. Hierin wordt het volk via Gods boodschappers (de profeten) bepaald bij de richtlijnen, die in de Thora gegeven zijn. Je zou kunnen zeggen dat de profetische boeken een actualisatie zijn van de Thora. In het hebreeuws zijn dit de ‘Nebiîm’. De derde groep zijn de Geschriften. Hier gaat het om het menselijk antwoord op Gods stem. In het hebreeuws ‘Chetubîm’. Voorop staan de Psalmen, achteraan staan de historische werken: 1 & 2 Kronieken, Ezra & Nehemia. De volgorde geeft het belang van de boeken weer.
Als we de drie ‘afdelingen’ bijeen zetten, ontdekken we waarom het Jodendom het Oude Testament ‘Tenach’ noemt: Thora, Nebiîm, Chetubîm.
Historische schets
In 722 is het Noordelijke (Tienstammen) Rijk/Israël door de Assyriërs onder de voet gelopen en viel de hoofdstad Samaria. De Assyriërs hadden de gewoonte om een groot deel van de bevolking als slaven weg te voeren. Het ging dan vooral om de bovenlaag. Dat is ook het lot geweest van het Noordelijke Rijk (met als kerngebied Galilea). Sinds de val van het rijk is dit deel van het Verbondsvolk in de geschiedenis ‘verdwenen’. Het Zuidelijke Rijk (Juda-Benjamin) met Jeruzalem als hoofdstad ontsnapte ternauwernood aan dit lot. Maar uiteindelijk, ten tijde van het Babylonische Rijk (Nebucadnezar!), werd het kleine koninkrijk Juda ingenomen (einde van het Davidische koningshuis 586 voor Chr.). Daarmee begon de periode, die wij kennen als de Babylonische ballingschap.
De reden van het wegvoeren van de bovenlaag van de bevolking mag ons dan wel vreemd voorkomen, doeltreffend was het wel. Zowel de Assyriërs als de Babyloniërs waren beducht voor opstanden. Met name het koninkrijk Egypte, de eeuwige aartsvijand, speelde bij opstanden een kwalijke rol (denkt u in dit verband maar aan de discussie tussen Achaz en Jesaja aan het begin van het Bijbelboek Jesaja. Koning Achaz overweegt een bondgenootschap met Egypte, wat hem door zijn hofprofeet ontraden wordt. We zitten dan in de Assyrische periode, 8e eeuw). Door de bovenlaag van een bevolking te “verplaatsen”, was het gevaar van een opstand minder groot. Bovendien werden m.n. ook de priesters meegevoerd, zodat (in de ogen van de onderdrukker) een religieus geladen protest onmogelijk werd. Aangezien men in de Oudheid meende dat een god enkel bezitter/gebieder was over een ‘nationale’ eenheid, konden priesters elders ook niet meer hun god aanbidden en dus werden de ballingen automatisch van ‘allochtonen’, ‘autochtonen’. Voor ons is dit een moeilijke gedachtegang, maar destijds was dit denken doodnormaal. Aangetekend moet daarbij worden dat alle godsdiensten als ‘nationale godsdiensten’ werden gezien. Maar voor Israël was dit niet zo. Hun God was de ‘God van hemel en aarde’. En dat betekende dat God ook Heer was over de volkeren. Ook al wisten die volkeren dat niet of geloofden zij dat niet. God was dus niet afhankelijk van landsgrenzen.
Ontstaan van de synagoge en van het ‘Jodendom’
Wat bij het Noordelijke Rijk gelukt was, bleek niet te lukken met de weggevoerden uit het Zuidelijke Rijk. Eigenlijk is het Jodendom, zoals wij dat nu kennen, voor een belangrijk deel ontstaan in de ballingschap. Na een periode van intense droefheid (Ps. 137), kwam er een religieuze bloeiperiode, waar de profeet Ezechiël een belangrijke aanzet toe heeft gegeven. In de ballingschap ontdekte men n.l. dat afgesneden worden van de tempel/Jeruzalem te maken had met schuld; de zonde van het verlaten van Gods weg. Maar ook ontstond in die periode de synagoge en het Leerhuis. Het volk, hoewel men geen offers meer kon brengen, bleef de eigen godsdienst trouw. Wat méér is: werd pas echt ‘godsdienstig’.
Natuurlijk is deze ontwikkeling voorbij gegaan aan diegenen, die in het land van herkomst achterbleven: de (kleine) boeren, kleine handwerkmensen en armen en ongeletterden. Een deel van de spanningen in m.n. Ezra zal hier het gevolg van zijn.
Bij de verovering van het Babylonische Rijk door de Meden en de Perzen (539 voor Chr.) verandert de situatie drastisch. Meden en Perzen zien het nut van het verplaatsen van bevolkingsgroepen niet in. Integendeel! Ballingen krijgen verlof om naar het land van herkomst terug te keren door het Edict van Cyrus (Kores) in 538.
Overigens bleven de meeste ballingen waar ze waren. Het gematigde regime, de relatieve vrijheid en het feit dat velen tot de middenklasse waren gaan behoren, maakten dat het overgrote deel van Israël (Juda) in het land van ballingschap bleef. Vandaar dat ten tijde van Jezus er overal Joodse gemeenschappen waren (de diaspora). Slechts een klein deel woonde daadwerkelijk in Jud(e)a/Palestina. Het woord Jood is een verbastering van Juda (Yehudah) en duidt op de nazaten van deze stam èn (de kleine stam) Benjamin.
De terugkeer
Toch gingen groepen terug. We vermoeden dat het ‘golven’ van immigratie waren. Zij hadden leiders (Ezra, een priester-schriftgeleerde, vgl.: 7:12, en een figuur als Nehemia.) Maar in Ezra/Nehemia horen we ook andere namen. Deze immigranten meenden dat zij ‘ware’ gelovigen waren. Zij hadden zo hun twijfels over de gelovigheid van de achtergeblevenen (‘het volk dat de Wet niet kent’). De vreemde situatie ontstond dat de ‘allochtonen’ meenden beter te weten dan de ‘autochtonen’. Bovendien waren er ook nog de andere bevolkingsgroepen, die uit andere delen van het Babylonische Rijk het land waren binnengebracht. Ten tijde van de Assyriërs was dat ook gebeurd en was er in het Noordelijke deel een mengvolk ontstaan, dat we kennen als de Samaritanen. In het Zuiden was dit minder het geval (de tijd tussen wegvoering en terugkomst van grote groepen Joden was ook korter!) èn vanwege het rigorisme van een Ezra. Joden (lees: gelovigen) moesten hun ‘vreemde vrouwen èn kinderen’ wegzenden! (Ezra 10 : 9). Weliswaar was het de gewoonte dat een vrouw zich bekeerde tot de godsdienst van haar echtgenoot, maar de inwijkelingen uit Babel hebben weinig vertrouwen in deze ‘bekeringen’.
Volgens de Talmud is, na Mozes, Ezra de belangrijkste figuur voor het Jodendom geweest. Dat klopt, in die zin dat Ezra het Jodendom heeft ‘omheind’ en daardoor voor de toekomst bewaard. Maar in feite ging dat wel ten koste van veel menselijk leed. En je kunt ook spreken over grove vormen van, wat wij nu noemen, discriminatie.
De figuur van Nehemia
Nehemia is een soort ‘manager’ geweest. Terwijl Ezra een duidelijke godsdienstige leider was, is Nehemia veel meer een ‘politieke’ leider geweest. Hij heeft slechts een beperkte tijd gehad om de muren van Jeruzalem te herbouwen. Die bouw was noodzakelijk om de stad tegen rooftochten te beschermen. Tenslotte was Palestina een uithoek binnen het Rijk van Meden en Perzen. Als schenker van de koning in Susjan zat hij dicht bij de macht en had een grote verantwoordelijkheid. We mogen niet vergeten dat de meeste koningen van de opeenvolgende rijken (Assyriërs, Babyloniërs en Perzen) of op het slagveld stierven, of werden vergiftigd. Koningen waren dus afhankelijk van voorproevers èn schenkers (zie: de Jozefgeschiedenis!).
Nehemia wordt ons beschreven als een gematigd man, die achter de maatregelen stond van Ezra èn scherp uithaalt tegen de tegenstanders van de herbouw van Jeruzalem. Binnen de Joodse traditie vormen beide boeken overigens één geheel, op naam van Ezra.
Nehemia moet de spot en hoon verdragen van anderen. “Men” is fel tegen zijn komst en initiatieven gekant. Maar ook de Joodse bevolkingsgroep is onderling verdeeld (zie boven). Velen zijn meer bezig met overleven, dan zich in te zetten voor de heropbouw. Die heropbouw van de muren en de stad Jeruzalem vordert dan ook traag. Je zou kunnen zeggen dat nationaal gevoel/ ‘godsdienst’ (de herbouw van de tempel) voor de mensen geen prioriteit was. Men was temidden van puinhopen aan het overleven. Het pleit voor Nehemia dat hij goed heeft gezien dat enkel de herbouw, het samen bouwen, de mensen uit het psychologisch en economisch slop kon halen waarin zij zaten. Op die overtuiging zal Ezra later voort borduren. Uiteindelijk wordt de tempel (her)ingewijd. (Ezra 5 & 6) Daardoor wordt de bevolking eveneens uit het godsdienstige slop gehaald.
Deze periode van herbouw omvat de jaren 537 – 500.
Het boek Ezra-Nehemia
Als we deze (historische) boeken kort zouden moeten samenvatten, zouden we kunnen zeggen: onderwerp is de zoektocht naar de eigen identiteit. Het Joodse volk (met zijn eigen godsdienst en cultuur) terug in het Land van Belofte leeft nog steeds temidden van andere volkeren (met hun eigen godsdiensten en culturen). Telkens komt de vraag op: Hoe blijven we staande? Hoe bewaren we wat wezenlijk bij ons hoort?
De antwoorden die gegeven worden, roepen weer andere vragen op: Waar trekken we grenzen tussen ‘ons’ (ons geloof) en ‘de ander’ (andere wijzen van geloven of van leven)? Is isolement de enige oplossing om de eigen identiteit te bewaren? Denkt u maar eens aan de klassieke, typisch Gereformeerde slogan: in ons isolement ligt onze kracht. Kan een mens (een volk) voortbestaan zonder compromissen te sluiten (Ezra!)? En is een vorm van integratie niet mogelijk? Hoe open moeten we zijn voor andere godsdiensten en afwijkende meningen? En is het wenselijk dat wij ons naar buiten zo duidelijk profileren (Nehemia!)?
Deze vragen, die onderwerp zijn van deze boeken en daarin beantwoord worden, zijn voor ons brandend actueel. Ook al zijn de antwoorden van Ezra-Nehemia de onze misschien niet; zij geven wel een zeer bepaalde richting aan. Zijn we het daar mee eens of juist niet? In de discussie met deze boeken, zullen zich wellicht antwoorden voor deze tijd kristalliseren, waar wij als mensen van de XXIe eeuw ons voordeel mee kunnen doen. Zonder daarmee iets af te willen dingen van de oplossingen, die Ezra en Nehemia hebben aangedragen.
Tot slot
In dezelfde tijd, waarin Ezra en Nehemia de grote leiders waren, en op dezelfde plaats, Jeruzalem, leefde nog iemand anders. Het was de profeet, die wij kennen als Trito-Jesaja (Jes. 56 – 66). We zijn hem tegengekomen op de 4e Zondag van de Advent. Hij droomt een totaal andere droom dan Ezra-Nehemia. Ook al heeft hij weet van beroving, spot en hoon, toch blijft hij de volkeren zien als (eveneens) Gods kinderen. Zijn visioen is juist dat allen zullen opgaan naar de tempel. Hij stijgt uit boven het ‘realisme’ van zijn dagen. We mogen als christenen blij zijn dat deze derde Jesaja tot de profetische werken wordt gerekend en dus van meer belang is dan de historische werken Ezra-Nehemia. Dit onderscheid wordt door het Jodendom, ondanks alle respect voor een Ezra, uitdrukkelijk gemaakt. Wie de derde Jesaja samen leest met Ezra-Nehemia komt onherroepelijk voor de vraag te staan: Kiezen we voor wat ‘idealiter’ is, of wat ‘realiter’ is?
Gaan we voor een hooggestemd ideaal of houden we vooral rekening met de (soms bittere) realiteit?
Binnen de Bijbel wordt dus een belangwekkende discussie gevoerd. En dat maakt deze oude historische boeken voor ons verfrissend en boeiend.
Aanmelden